Gratis proefles: de eerste les van elke cursus staat open. Weinig tijd? Stap 1 geeft je in vijf minuten de kern: één schema en In het kort. De andere lessen zitten in de losse cursussen en in de bundel. Bekijk de cursussen
Human Manual Herhalen 0 0%
Stress   Les 1

Je alarmsysteem

Het is half elf. Je laptop is dicht, het huis is stil, en toch bonkt je hart nog en malen je gedachten door. Dat is geen zwakte. Het is een systeem dat precies doet waarvoor het gebouwd is; alleen staat het te lang aan.

Wat gebeurt er in je lichaam in de eerste seconden en minuten van stress, en waarom is dat eigenlijk slim?

Na deze les weet je wat de snelle en de langzame stressroute doen, waarom je lichaam zo reageert, en waarom de uitknop net zo belangrijk is als de aanknop.

Stap 1   Het beeld

Twee golven: eerst adrenaline, dan cortisol

Sterkte van de reactie 0 15 30 45 60 75 90 minuten na de schrik Adrenaline: snelle route piek binnen seconden, weg na minuten Cortisol: langzame route top na 20 tot 40 minuten Met piekeren later en langer de schrik
Schematisch. De hoogte en de duur verschillen per persoon en per situatie; de top van cortisol na twintig tot veertig minuten komt uit een analyse van 208 laboratoriumstudies, de latere top bij piekeren uit één studie.

Een remmende auto, een mail van je leidinggevende, een kind dat van de trap valt: binnen een paar tellen staat je lichaam aan. Dat gaat in twee golven. Eerst de snelle route via je zenuwen en adrenaline, daarna de langzame route via een keten van hormonen die eindigt bij cortisol. Samen maken ze je klaar om iets te doen.

In het kort

  • Twee routes. Snel: zenuwen en adrenaline, binnen seconden. Langzaam: een hormoonketen naar cortisol, met een top na twintig tot veertig minuten; ezelsbrug: eerst de bliksem, dan de donder.
  • Het doel is energie. Stress haalt brandstof vrij en stuurt die naar spieren, hart en brein; verteren en herstellen wachten even.
  • Het grootste alarm. Een situatie die je niet kunt beheersen, terwijl anderen je beoordelen.
  • Cortisol is niet slecht. Het piekt elke ochtend na het wakker worden, maakt brandstof vrij en remt ontsteking af.
  • De uitknop telt. Gezond is snel aan en snel weer uit; piekeren houdt het alarm langer aan.
  • Denken onder druk. Veel stress zet je planningsbrein lager; je valt terug op reflexen en gewoontes.

De rest van deze les legt dit uit, met een opdracht voor deze week.

Stap 2   De snelle route

Binnen seconden klaar voor actie

Je hersenen scannen voortdurend of er gevaar is. Zien ze iets dat op dreiging lijkt, dan gaat er via het sympathische zenuwstelsel, je gaspedaal, een signaal naar je organen en naar het binnenste deel van je bijnieren, het bijniermerg. Dat geeft adrenaline en noradrenaline af aan je bloed. Je hoeft er niet over na te denken; het gebeurt voordat je weet wat er aan de hand is.

Het resultaat ken je: je hart bonkt, je ademt sneller, je spieren spannen zich, je mond wordt droog en je bent ineens klaarwakker. Klik hieronder door wat elk deel van je lichaam doet, in de snelle en in de langzame route.

Stap 3   De langzame route

Cortisol neemt het stokje over

Tegelijk met de snelle route start een tweede, tragere route: een keten van drie stations. Omdat elk station het volgende via het bloed aanzet, duurt het minuten voordat cortisol stijgt. In een analyse van 208 laboratoriumstudies lag de top twintig tot veertig minuten na het begin van de stress.

  1. Hypothalamus. Een klein gebied diep in je hersenen, de regelkamer van je lichaam. Het geeft het startsein, het hormoon CRH.
  2. Hypofyse. De klier eronder geeft daarop ACTH af aan het bloed.
  3. Bijnierschors. De buitenste laag van je bijnieren maakt cortisol, dat via het bloed overal in je lichaam komt.

Cortisol heeft een slechte naam, maar het is een harde werker. Het houdt de brandstof op peil, het steunt je bloeddruk, het remt ontsteking af zodat die niet uit de hand loopt, en het werkt terug op je hersenen om zijn eigen aanmaak weer te verlagen. Ook zonder stress heb je het elke dag nodig: in het halfuur na het wakker worden stijgt cortisol flink, vermoedelijk om je klaar te maken voor de dag die komt.

Brandstofhoudt je bloedsuiker op peil
Bloeddrukhoudt je bloedvaten gevoelig voor adrenaline
Afweerremt ontsteking af
Ritmepiekt elke ochtend na het wakker worden
Remverlaagt via je hersenen zijn eigen aanmaak
Stap 4   Waarom dit slim is

Stress is een energiebeslissing

De bioloog Robert Sapolsky legt het uit met een zebra in zijn boek Why Zebras Don't Get Ulcers. Een zebra die door een leeuw wordt achtervolgd, heeft een paar minuten lang een enorme stressreactie, en daarna is het voorbij: hij is ontsnapt, of niet. Zijn lichaam zet alles op die paar minuten in en schakelt daarna terug.

Dat is precies waar je stressreactie voor gemaakt is: korte, felle uitdagingen. Je lichaam maakt even een andere verdeling van zijn energie. Alles wat nu helpt, krijgt voorrang; alles wat kan wachten, zoals verteren, herstellen en groeien, gaat even op pauze. Dat is slim, zolang het kort duurt.

Kort: het helpt

Meer energie, scherpere aandacht, een afweer die klaarstaat. Onder een beetje druk kun je scherper presteren, en daarna herstel je.

Lang: het kost

Blijft de pauzeknop op verteren, slapen en herstellen ingedrukt, dan stapelen de kosten zich op. De stressonderzoeker Bruce McEwen noemde dat slijtage door aanpassing. Daarover gaat les 2.

Mensen hebben er iets bij dat een zebra niet heeft: we kunnen de leeuw verzinnen. Je hersenen zetten dezelfde reactie aan als je terugdenkt aan een ruzie, of vooruitdenkt aan een gesprek van volgende week. De gebieden die stress regelen zijn verweven met die van geheugen en verwachting, zodat ervaringen en vooruitzichten meesturen.

Stap 5   Wat het alarm aanzet

Niet elke stress is gelijk: controle en oordeel

Onderzoekers Sally Dickerson en Margaret Kemeny legden 208 laboratoriumstudies naast elkaar om te zien welke situaties cortisol het meest laten stijgen. Niet elke lastige taak deed dat. De grootste en langste reacties kwamen bij taken met twee kenmerken tegelijk: je kon de uitkomst niet beheersen, en anderen konden je beoordelen. Een speech geven voor een kritische jury, bijvoorbeeld.

Sanne, 41, teamleider

Sanne moet maandag haar plannen presenteren aan de directie. Het werk zelf vindt ze leuk; de presentatie niet. Zondagavond merkt ze het al: ze slaapt slecht, ligt te malen over vragen die ze misschien krijgt. Maandagochtend bonkt haar hart in de lift.

Wat er speelt: de uitkomst ligt niet in haar handen, en ze wordt beoordeeld. Dat zijn de twee knoppen die het alarm het hardst aanzetten. En ze zette het alarm zondag al aan, alleen door eraan te denken. Na de presentatie gaat het goed, maar op de fiets naar huis speelt ze één lastige vraag steeds opnieuw af. Haar alarm gaat daardoor maar langzaam uit.

Vechten of vluchten is niet het enige wat mensen onder stress doen. De psycholoog Shelley Taylor en haar collega's beschreven een tweede patroon: zorgen voor anderen en steun zoeken, tend-and-befriend. Ze stelden het voor als een patroon dat vooral bij vrouwen speelt, met mogelijk een rol voor het hechtingshormoon oxytocine. In een later experiment werden ook mannen na een stressopdracht juist vertrouwender en guller. Een collega bellen na een rotdag is dus ook een stressreactie, en vaak een goede.

Stap 6   De uitknop

Snel aan, en weer snel uit

Een gezonde stressreactie is niet een reactie die nooit komt. Het is een reactie die snel opkomt als het nodig is, en snel weer zakt als het voorbij is. McEwen beschreef wat er misgaat als dat laatste niet lukt: het lichaam blijft betalen voor een gevaar dat al weg is.

De grootste sluipende rekker van het alarm is piekeren. Een analyse van zestig studies vond dat malen over het verleden en zorgen over de toekomst samengaan met een hogere hartslag, een hogere bloeddruk, meer cortisol en een lagere hartslagvariabiliteit, een maat voor hoe goed je kunt schakelen. In één studie bij 46 vrouwen na de overgang lag bij wie weinig bewoog en na een stressopdracht bleef malen de cortisoltop later, rond 56 in plaats van 39 minuten, en duurde het herstel langer; bij de vrouwen die lichamelijk actief waren, speelde dat verschil niet.

Je planningsbrein, het voorste deel van je hersenen, is het meest gevoelig voor stress: zelfs milde, onbeheersbare stress verzwakt het snel. Daarom denk je in een ruzie minder helder en grijp je onder druk sneller naar een oude gewoonte. Dat is geen karakterfout; het is je alarm. Het gereedschap in de lessen over herstel en over je hoofd werkt vooral op de uitknop.

Eerst dit

Doe lichamelijke klachten niet zomaar af als stress. Pijn of druk op je borst, of plotseling erg benauwd: bel 112. Hartkloppingen met duizeligheid of het gevoel dat je flauwvalt: bel direct je huisarts of de huisartsenpost. Hartkloppingen die terugkomen, of klachten die blijven: ga naar je huisarts. Pas als een arts een lichamelijke oorzaak heeft uitgesloten, kijk je naar stress.

Gaat het al langer niet goed, slaap je slecht, ben je somber of angstig, of maken mensen om je heen zich zorgen: ga naar je huisarts of de praktijkondersteuner (POH-GGZ). Denk je aan zelfdoding: bel gratis 113 of chat via 113.nl, dag en nacht; bij direct gevaar 112. Deze cursus helpt je je stress te begrijpen; voor die hulp is je huisarts er.

Stap 7   Wat het onderzoek zegt

Hoe zeker is dit?

Er zijn een snelle en een langzame stressroute sterk

Basisfysiologie, in tientallen jaren onderzoek bij mensen en dieren vastgesteld.

Geen controle plus beoordeling geeft de grootste cortisolreactie sterk

Een meta-analyse van 208 laboratoriumstudies. Let op: dat is gemeten in het lab, met korte opdrachten.

Piekeren houdt je lichaam langer in de stressstand redelijk

Een meta-analyse van zestig studies vond dit verband, met kleine tot middelgrote effecten. Het gaat om gemiddelden; bij de een is het effect groter dan bij de ander.

Korte stress zet je afweer klaar voorlopig

Goed onderbouwd in dierproeven, bij mensen minder vaak en minder direct gemeten.

Onder veel stress denk je minder helder redelijk

Het mechanisme komt vooral uit dieronderzoek; bij mensen zie je hetzelfde in taken en hersenscans.

Sterk: meerdere goede studies bij mensen wijzen dezelfde kant op. Redelijk: het verband is er, maar de effecten verschillen of het meeste bewijs is indirect. Voorlopig: vooral dieronderzoek, kleine studies of mechanisme.

Stap 8   Doe het

Leer je eigen alarm kennen

Je kunt je alarm pas bijsturen als je hem ziet afgaan. Deze week ga je alleen kijken, nog niets veranderen. Het kost je drie minuten per avond.

Stap 9   Oefenvragen

Weet je hoe je alarm werkt?

Stap 10   Valkuilen

Waar mensen de mist in gaan

  • "Stress is slecht." Korte stress is een slimme, gezonde reactie. Het probleem is stress die niet meer uitgaat.
  • "Cortisol moet zo laag mogelijk." Je hebt het elke dag nodig. Een plat cortisolritme is ook geen goed teken; daarover gaat de les over jouw stresspatroon.
  • "Alleen grote gebeurtenissen tellen." Je alarm reageert ook op verwachtingen, op gedachten en op het gevoel beoordeeld te worden.
  • "Als het voorbij is, is het voorbij." Door te malen rek je de reactie, ook als de situatie al lang achter je ligt.

Om over na te denken

  1. Welke situaties zetten bij jou het alarm het snelst aan: haast, conflict, beoordeeld worden, of onzekerheid?
  2. Hoe snel gaat jouw alarm weer uit, en wat helpt je daarbij?
  3. Wanneer heeft stress je juist geholpen om iets goed te doen?

Bronnen

  1. Ulrich-Lai YM, Herman JP (2009). Neural regulation of endocrine and autonomic stress responses. Nature Reviews Neuroscience 10: 397 tot 409. doi
  2. Dickerson SS, Kemeny ME (2004). Acute stressors and cortisol responses: a theoretical integration and synthesis of laboratory research. Psychological Bulletin 130: 355 tot 391. doi
  3. McEwen BS (1998). Protective and damaging effects of stress mediators. New England Journal of Medicine 338: 171 tot 179. doi
  4. Sapolsky RM, Romero LM, Munck AU (2000). How do glucocorticoids influence stress responses? Endocrine Reviews 21: 55 tot 89. doi
  5. Fries E, Dettenborn L, Kirschbaum C (2009). The cortisol awakening response (CAR): facts and future directions. International Journal of Psychophysiology 72: 67 tot 73. doi
  6. Dhabhar FS (2014). Effects of stress on immune function: the good, the bad, and the beautiful. Immunologic Research 58: 193 tot 210. doi
  7. Arnsten AFT (2009). Stress signalling pathways that impair prefrontal cortex structure and function. Nature Reviews Neuroscience 10: 410 tot 422. doi
  8. Ottaviani C, Thayer JF, Verkuil B e.a. (2016). Physiological concomitants of perseverative cognition: a systematic review and meta-analysis. Psychological Bulletin 142: 231 tot 259. doi
  9. Puterman E, O'Donovan A, Adler NE e.a. (2011). Physical activity moderates effects of stressor-induced rumination on cortisol reactivity. Psychosomatic Medicine 73: 604 tot 611. doi
  10. Taylor SE, Klein LC, Lewis BP e.a. (2000). Biobehavioral responses to stress in females: tend-and-befriend, not fight-or-flight. Psychological Review 107: 411 tot 429. doi
  11. von Dawans B, Fischbacher U, Kirschbaum C, Fehr E, Heinrichs M (2012). The social dimension of stress reactivity: acute stress increases prosocial behavior in humans. Psychological Science 23: 651 tot 660. doi
  12. Sapolsky RM (2004). Why Zebras Don't Get Ulcers, derde editie. New York: Henry Holt.
Klaar

Les afronden

Maak de oefenvragen tot je ze in één keer goed hebt, zet je opdracht van deze les in je week en markeer de les hieronder als klaar.

Duurzaam afvallen   Les 1

Hoe afvallen echt werkt

Je weet heus wat gezond is. Je hebt het al eens volgehouden, een paar weken, soms maanden, en toen kwam het terug. Dat voelt als falen. Het is vooral een lichaam dat zich verzet tegen een tekort, en dat verzet kun je leren kennen.

Waarom draait afvallen om energiebalans, en waarom is dat toch niet het hele verhaal?

Na deze les weet je waar je energie heen gaat, waarom de weegschaal grilliger is dan je lichaam, wat de overgang wel en niet verandert, en ken je je eigen startpunt.

Stap 1   Het beeld

Een balans die terugpraat

je lichaam praat terug minder eten geeft meer honger en iets minder verbruik Wat je binnenkrijgt Wat je verbruikt eten en drinken rust sport dagelijks bewegen vertering schematisch; de verhouding verschilt per persoon
Rust is bij de meeste volwassenen 55 tot 70 procent van het verbruik, vertering ongeveer een tiende, de rest is bewegen. Het bewegen verschilt het meest tussen mensen.

Afvallen is natuurkunde: wat je lichaam niet binnenkrijgt, haalt het uit zijn voorraad. Maar het is geen boekhouding. Je lichaam reageert op een tekort, met meer honger en een iets lager verbruik, en daardoor gaat het langzamer dan elke rekensom belooft. Wie dat snapt, stopt met zichzelf de schuld geven en gaat slimmer sturen.

In het kort

  • Eerst de check. Eetstoornis of eetbuien, ondergewicht, zwanger of borstvoeding, jonger dan 18, diabetesmedicatie of een ernstige ziekte: eerst de huisarts.
  • De balans telt. Je verliest vet als je langere tijd minder binnenkrijgt dan je verbruikt; hormonen sturen honger en verbruik, maar heffen de balans niet op; ezelsbrug: de balans telt, maar hij praat terug.
  • Waar je energie heen gaat. Rust, vertering, dagelijks bewegen en sport; het bewegen verschilt het meest.
  • De oude rekenregel is te optimistisch. 7.700 kcal per kilo voorspelt een rechte lijn; in werkelijkheid gaat het steeds trager.
  • De weegschaal schommelt. Vocht, glycogeen, zout en darminhoud; kijk naar je weekgemiddelde, niet naar één ochtend.
  • Een doel dat werkt. 5 tot 10 procent van je gewicht geeft al gezondheidswinst; rustig tempo, ongeveer een halve kilo per week.
  • Rond de overgang. Je komt gemiddeld niet sneller aan, maar er komt sneller vet bij, vaker op je buik, en je verliest wat spier.

De rest van deze les legt dit uit, met een opdracht voor deze week.

Stap 2   Eerst dit

Is deze cursus voor jou?

Deze cursus gaat over afvallen op eigen kracht. Voor een paar groepen is dat geen goed idee, of alleen samen met een arts. Lees dit voordat je de rekenhulp of de opdracht gebruikt.

Rode vlaggen

  • Eetstoornis of eetbuien, nu of vroeger. Ga niet zelf diëten, calorieën tellen, vasten of dagelijks wegen. Bespreek je wens eerst met je huisarts. Voor herkenning en lotgenoten: Proud2Bme (proud2bme.nl).
  • Ondergewicht, een BMI onder 18,5. Afvallen is dan geen gezond doel. Bespreek met je huisarts waar je wens vandaan komt.
  • Zwanger of borstvoeding. Niet afvallen of vasten zonder overleg met je verloskundige of huisarts.
  • Jonger dan 18. Deze cursus is voor volwassenen. Praat met je huisarts of de jeugdarts.
  • Diabetes met insuline of andere bloedsuikerverlagers (zoals gliclazide). Minder eten kan een te lage bloedsuiker geven, een hypo. Ga eerst naar je huisarts of praktijkondersteuner; je medicijnen moeten dan soms omlaag.
  • Een ernstige ziekte, zoals een hart- of nierziekte of kanker, of als je net geopereerd bent: eerst overleggen met je arts.
  • Gaat het niet goed met je? Bij gedachten aan zelfdoding: bel gratis 113 of chat via 113.nl. Bij direct gevaar: 112.

En voor iedereen: geen crashdieet. Diëten van 800 tot 1.200 kcal per dag horen volgens de Britse richtlijn alleen bij gespecialiseerde begeleiding met nazorg, en nooit als blijvende aanpak.

Stap 3   De balans

Energiebalans zonder dogma

Het simpele beeld: eet je langere tijd minder dan je verbruikt, dan haalt je lichaam het verschil uit zijn voorraad, vooral uit vet. Dat geldt voor elk dieet. Koolhydraatarm, vetarm, vasten of een eetvenster werken wanneer, en omdat, je er minder door eet.

Het mechanisme is minder simpel. Eten en verbruik zijn geen losse knoppen. Je hersenen houden je voorraad in de gaten via signalen uit je vet, je maag en je darmen; eet je minder, dan krijg je meer honger en zakt je verbruik iets. De onderzoekers Kevin Hall en Juen Guo schrijven daarom dat overgewicht niet simpelweg komt door te veel eten en te weinig bewegen: de onderdelen van de balans hangen samen, en het lichaam verzet zich tegen afvallen. In hun analyse van 32 streng gecontroleerde voedingsstudies gaf het ruilen van koolhydraten voor vet, bij gelijke calorieën, geen extra vetverlies. Op een onderzoeksafdeling waar alles gewogen werd, ging de vetafname met een koolhydraatarm dieet zelfs iets trager.

Wat waar is

Hormonen zoals insuline, leptine en je stresshormoon cortisol sturen je honger, je verbruik en waar je vet opslaat. Ze maken minder eten makkelijker of moeilijker.

Wat overdreven is

"Het zijn de hormonen, niet de calorieën." Hormonen werken via de balans, niet eromheen. Bij gelijke calorieën levert geen verhouding van koolhydraat en vet een wonderlijk verschil op.

De voedingswetenschapper Layne Norton (onder meer auteur van Fat Loss Forever) zegt het op zijn site Biolayne nuchter: hormonen beïnvloeden beide kanten van de balans, maar heffen haar niet op. De arts Peter Attia (auteur van Outlive) noemt in zijn podcast The Drive de energiebalans de kern; de verhouding tussen koolhydraat en vet doet er volgens hem minder toe zolang het totaal klopt. Hij voegt eraan toe dat de meeste van zijn patiënten een strategie nodig hebben om die balans vol te houden. Daarover gaan de volgende lessen.

Stap 4   Waar je energie heen gaat

Vier posten, en één verschilt het meest

Rusthart, hersenen, organen en spieren die gewoon doorwerken; 55 tot 70 procent, meer naarmate je minder beweegt
Vertering5 tot 15 procent; hoger bij eiwitrijk eten
Dagelijks bewegenstaan, lopen, trappen, huishouden, friemelen
Sportde training die je bewust doet

Je rustverbruik hangt vooral af van hoe groot je bent en hoeveel vetvrije massa je hebt: spieren, organen, botten. In het onderzoek waar de formule van de rekenhulp vandaan komt, was de vetvrije massa de beste losse voorspeller van het rustverbruik. Spier telt dus mee, ook als je stilzit. De vertering kost 5 tot 15 procent van je dagverbruik, en eiwit kost je lichaam meer werk dan koolhydraat of vet.

De grootste verschillen tussen mensen zitten in het bewegen. In een klassiek experiment aten zestien mensen acht weken lang elke dag 1.000 kcal extra. Twee derde van hun extra verbruik kwam uit gewoon dagelijks bewegen, zoals staan en friemelen, en dat verklaarde waarom de een tien keer zoveel vet aankwam als de ander.

Stap 5   De rekenregel

Waarom het langzamer gaat dan de rekensom

De bekende regel zegt: een kilo vet is 7.700 kcal, dus 500 kcal per dag minder is een kilo per twee weken, jaar in jaar uit. Die regel vergeet dat je lichaam meebeweegt: een kleiner lichaam verbruikt minder. Naast zeven streng gecontroleerde afvalstudies gelegd, voorspelde de regel steeds veel meer verlies dan er echt was.

start 1 jaar 2 jaar 3 jaar minder gewicht na een jaar: ongeveer de helft wat er echt gebeurt: steeds trager tot een nieuw evenwicht oude rekenregel: blijft dalen
Schematisch. Het precieze verloop verschilt per persoon.

Het team van Kevin Hall rekende het na met een model dat op metingen bij mensen is gebouwd. Hun vuistregel voor een gemiddelde volwassene met overgewicht: elke 20 tot 25 kcal per dag die je blijvend minder eet, scheelt op den duur ongeveer een kilo; na een jaar ben je ongeveer halverwege, na drie jaar bijna bij het nieuwe evenwicht. Dat is geen tegenvaller van jou, zo werkt een lichaam.

De eerste week gaat juist snel. Je lichaam slaat suiker op als glycogeen in je lever en spieren, en elke gram glycogeen houdt drie tot vier gram water vast. Eet je minder, vooral minder koolhydraten, dan gebruik je die voorraad en gaat het water mee; eet je weer wat meer, dan komt het terug. Geen vet, en geen mislukking.

En de stofwisseling die "kapot" gaat? Waar is: na afvallen verbruik je minder, en iets minder dan je op grond van je nieuwe lichaam zou verwachten; bij mensen die hun lagere gewicht een jaar of langer volhielden, was dat er nog steeds. Je krijgt ook meer honger; daarover gaat de les Honger, verzadiging en cravings. Overdreven is: dat het om grote getallen gaat. Bij 171 vrouwen die gemiddeld 12 kilo afvielen, was het extra verschil in rustverbruik ongeveer 50 kcal per dag, gemeten bij een stabiel gewicht; na een tot twee jaar was het niet meer aantoonbaar, en het voorspelde niet wie weer aankwam. Bij deelnemers aan het tv-programma The Biggest Loser, die in dertig weken tientallen kilo's verloren, was het verschil zes jaar later rond de 500 kcal per dag. Dat is het extreme geval. Norton noemt op zijn site een daling van het rustverbruik van meestal 5 tot 15 procent na flink afvallen, die pas na weken tot maanden tekort ontstaat; het deel dat niet door je kleinere lichaam komt, was in de studie van Martins veel kleiner.

Stap 6   De weegschaal

Je gewicht schommelt; je trend niet

Je gewicht is de som van vet, spier, botten, organen, vocht en wat er in je darmen zit. Van dag tot dag verandert vooral dat vocht en die darminhoud: na een zoute maaltijd, na een avond met meer koolhydraten, na een dag weinig drinken. In een Europese studie met dagelijkse metingen lag het gewicht in het weekend iets hoger en zakte het door de week weer; na kerst lag het gemiddeld 1,35 procent hoger, en dat was maanden later nog niet helemaal weg. Veel vrouwen voelen zich rond de menstruatie opgeblazener; in een dagboekstudie lag dat gevoel het hoogst op de eerste dag ervan.

Daarom kijk je naar je weekgemiddelde: elke ochtend wegen op hetzelfde moment, aan het eind van de week optellen en delen door het aantal metingen. Twee of drie weekgemiddelden achter elkaar laten zien waar je heen gaat.

BMI

Je gewicht in kilo's gedeeld door je lengte in meters in het kwadraat; 18,5 tot 25 heet een gezond gewicht. Een grove maat: hij ziet het verschil tussen spier en vet niet en mist ongeveer de helft van de mensen met veel lichaamsvet.

Je middel

Zegt meer over het vet rond je organen. Meet midden tussen je onderste rib en de bovenkant van je heup, en adem rustig uit. Deel door je lengte: bij een BMI onder 35 adviseert de richtlijn een middel onder de helft van je lengte. Het gaat om je eigen verloop, niet om een oordeel.

Stap 7   Een doel dat werkt

5 tot 10 procent, in een rustig tempo

Je hoeft niet naar een "ideaal" gewicht om er gezonder van te worden. In het Amerikaanse Diabetes Prevention Program kregen 3.234 mensen met een verhoogde bloedsuiker een leefstijlprogramma met als doel minstens 7 procent afvallen en 150 minuten bewegen per week. In bijna drie jaar kregen zij 58 procent minder vaak diabetes type 2 dan de groep met een placebo. Bij mensen die al diabetes hadden, ging 5 tot 10 procent verlies samen met een betere bloedsuiker, bloeddruk en bloedvetten, en meer verlies met meer winst. Het Voedingscentrum noemt daarom 5 tot 10 procent als realistisch doel.

Het tempo. Het Voedingscentrum raadt aan niet meer dan ongeveer een halve kilo per week af te vallen. De rekenhulp hieronder geeft een bandbreedte van 0,5 tot 1 procent van je gewicht per week; kies liever de onderkant. Eerlijk is eerlijk: dat langzaam afvallen minder terugval geeft, laat het onderzoek niet zien. In een gerandomiseerde studie met 200 mensen kwam bij snelle en geleidelijke afvallers evenveel terug. Het rustige tempo is een keuze voor een tekort dat je naast je werk en je gezin volhoudt, en voor tijd om gewoontes te leren. Het eraf houden is een eigen vaardigheid; daarover gaat de les Het eraf houden.

Stap 8   Rond de overgang

"Ik eet niet meer en kom toch aan"

Veel vrouwen rond de overgang herkennen deze zin. Het eerlijke antwoord: de overgang laat je gemiddeld niet sneller aankomen, maar verandert wel wat er onder je gewicht zit. En een paar kleine verschuivingen tegelijk tellen op.

In SWAN, de grootste langlopende studie naar vrouwen rond de overgang, werden vrouwen jarenlang gemeten met een scan die vet en spier apart ziet. Het gewicht steeg met de jaren in een rechte lijn, zonder versnelling bij de overgang, en vlakte daarna af. Maar vanaf het begin van de overgang ging de vettoename twee keer zo snel en nam de vetvrije massa af, tot ongeveer twee jaar na de laatste menstruatie. In een kleinere studie kregen alleen de vrouwen die in de overgang kwamen er buikvet rond de organen bij, en bewogen ze al vanaf twee jaar ervoor minder. En ook gemeten: rond de overgang slapen vrouwen slechter, vooral bij opvliegers.

Ingrid, 51, officemanager

Ingrid eet al jaren ongeveer hetzelfde. Toch zit haar broek strakker rond haar middel, terwijl de weegschaal nauwelijks verandert. Ze slaapt slecht door nachtelijk zweten, is gestopt met tennis door haar knie en werkt drie dagen thuis.

Wat er speelt: ze beweegt ongemerkt minder, ze verliest langzaam spier, en het vet dat erbij komt, zit vaker op haar buik. Haar slechte nachten maken de avonden lastiger. Geen van die dingen is groot; samen wel. Haar eerste stappen zijn dan ook geen strenger dieet, maar twee keer per week krachttraining, lopend naar de bakker en een afspraak bij de huisarts over haar opvliegers.

Gebruik je medicijnen en ben je sinds de start ervan aangekomen? Vraag je huisarts of dat ermee te maken kan hebben, en stop nooit zelf.

Stap 9   Wat het onderzoek zegt

Hoe zeker is dit?

Je verliest vet via een tekort; koolhydraten of vet ruilen geeft bij gelijke calorieën geen voordeel sterk

Een analyse van 32 gecontroleerde voedingsstudies en een studie op een onderzoeksafdeling. Goed gemeten.

Bewegen verklaart veel van de verschillen tussen mensen redelijk

Het klassieke experiment had zestien deelnemers; dat bewegen de meest wisselende post is, bevestigen metingen in het dagelijks leven.

De 7.700-regel voorspelt te veel redelijk

Rekenmodellen die naast gecontroleerde studies zijn gelegd. De vuistregel geldt voor een gemiddelde; jij kunt ervan afwijken.

Na afvallen verbruik je iets minder dan verwacht; meestal is dat verschil klein redelijk

Kleine studies en één grotere bij vrouwen. Het extreme geval komt uit een groep van veertien mensen.

5 tot 10 procent afvallen geeft gezondheidswinst sterk

Een grote gerandomiseerde studie bij mensen met een verhoogde bloedsuiker en een analyse binnen een grote trial bij diabetes.

Langzaam afvallen houdt het beter vast praktijk

Een gerandomiseerde studie vond geen verschil in terugval. Het rustige tempo is een keuze om het vol te houden, geen aangetoond voordeel.

Rond de overgang komt er sneller vet en buikvet bij en gaat er spier af redelijk

Langlopende cohortstudies met scans. In de grootste stijgt het gewicht zelf niet sneller; een kleinere zag wel meer toename bij vrouwen in de overgang. Een meta-analyse vond dat de hoeveelheid vet vooral met de leeftijd meegroeit, en dat de overgang vooral verschuift waar het zit: meer rond de buik.

Je dagverbruik blijft tussen 20 en 60 stabiel, gecorrigeerd voor vetvrije massa sterk

Een grote internationale database met de nauwkeurigste meetmethode die er is.

Sterk: meerdere goede studies bij mensen wijzen dezelfde kant op. Redelijk: het verband is er, maar de studies zijn klein, observerend of op modellen gebaseerd. Praktijk: een verstandige keuze uit de praktijk, zonder steun of met tegenstrijdig onderzoek.

Stap 10   Doe het

Je startpunt in beeld

Je kunt pas bijsturen als je weet waar je staat. Deze twee weken meet je alleen; je verandert nog niets aan wat je eet of hoe je beweegt.

Stap 11   Oefenvragen

Weet je hoe afvallen werkt?

Stap 12   Valkuilen

Waar mensen de mist in gaan

  • Eén ochtend als oordeel. Een kilo erbij na een weekend is meestal vocht. Kijk naar je weekgemiddelde.
  • "Mijn stofwisseling is kapot." De aanpassing is echt, maar meestal klein. Spier en bewegen heb je zelf in handen.
  • Het ideaalgewicht als doel. 5 tot 10 procent geeft al winst; een doel dat je haalt, houdt je gaande.
  • Sneller is beter. Een crashdieet hoort bij begeleiding; snel of langzaam, het eraf houden is de echte klus.
  • Alleen naar de weegschaal kijken. Rond de overgang kan je middel groeien terwijl je gewicht gelijk blijft. Meet allebei.

Om over na te denken

  1. Wat is er de laatste jaren in je dag veranderd aan bewegen, slapen en spanning, los van wat je eet?
  2. Welk doel zou voor jou al winst zijn, als je het ideaalgewicht even loslaat?
  3. Wat ging er bij eerdere pogingen mis: het afvallen zelf, of het volhouden daarna?

Bronnen

  1. Hall KD, Sacks G, Chandramohan D e.a. (2011). Quantification of the effect of energy imbalance on bodyweight. Lancet 378: 826 tot 837. doi
  2. Hall KD, Guo J (2017). Obesity energetics: body weight regulation and the effects of diet composition. Gastroenterology 152: 1718 tot 1727. doi
  3. Hall KD, Chen KY, Guo J e.a. (2016). Energy expenditure and body composition changes after an isocaloric ketogenic diet in overweight and obese men. Am J Clin Nutr 104: 324 tot 333. doi
  4. Thomas DM, Martin CK, Lettieri S e.a. (2013). Can a weight loss of one pound a week be achieved with a 3500-kcal deficit? Int J Obes 37: 1611 tot 1613. doi
  5. Levine JA, Eberhardt NL, Jensen MD (1999). Role of nonexercise activity thermogenesis in resistance to fat gain in humans. Science 283: 212 tot 214. doi
  6. Westerterp KR (2004). Diet induced thermogenesis. Nutr Metab 1: 5. doi
  7. Westerterp KR (2013). Physical activity and physical activity induced energy expenditure in humans. Front Physiol 4: 90. doi
  8. Westerterp KR (2017). Control of energy expenditure in humans. Eur J Clin Nutr 71: 340 tot 344. doi
  9. Mifflin MD, St Jeor ST, Hill LA e.a. (1990). A new predictive equation for resting energy expenditure in healthy individuals. Am J Clin Nutr 51: 241 tot 247. doi
  10. Frankenfield D, Roth-Yousey L, Compher C (2005). Comparison of predictive equations for resting metabolic rate in healthy nonobese and obese adults: a systematic review. J Am Diet Assoc 105: 775 tot 789. doi
  11. Kreitzman SN, Coxon AY, Szaz KF (1992). Glycogen storage: illusions of easy weight loss, excessive weight regain, and distortions in estimates of body composition. Am J Clin Nutr 56: 292S tot 293S. doi
  12. Rosenbaum M, Hirsch J, Gallagher DA, Leibel RL (2008). Long-term persistence of adaptive thermogenesis in subjects who have maintained a reduced body weight. Am J Clin Nutr 88: 906 tot 912. doi
  13. Martins C, Gower BA, Hill JO, Hunter GR (2020). Metabolic adaptation is not a major barrier to weight-loss maintenance. Am J Clin Nutr 112: 558 tot 565. doi
  14. Fothergill E, Guo J, Howard L e.a. (2016). Persistent metabolic adaptation 6 years after "The Biggest Loser" competition. Obesity 24: 1612 tot 1619. doi
  15. Turicchi J, O'Driscoll R, Horgan G e.a. (2020). Weekly, seasonal and holiday body weight fluctuation patterns among individuals engaged in a European multi-centre behavioural weight loss maintenance intervention. PLoS One 15: e0232152. doi
  16. White CP, Hitchcock CL, Vigna YM, Prior JC (2011). Fluid retention over the menstrual cycle: 1-year data from the prospective ovulation cohort. Obstet Gynecol Int 2011: 138451. doi
  17. Okorodudu DO, Jumean MF, Montori VM e.a. (2010). Diagnostic performance of body mass index to identify obesity as defined by body adiposity. Int J Obes 34: 791 tot 799. doi
  18. Ross R, Neeland IJ, Yamashita S e.a. (2020). Waist circumference as a vital sign in clinical practice. Nat Rev Endocrinol 16: 177 tot 189. doi
  19. NICE (2025). Overweight and obesity management (NG246). nice.org.uk
  20. Knowler WC, Barrett-Connor E, Fowler SE e.a. (2002). Reduction in the incidence of type 2 diabetes with lifestyle intervention or metformin. N Engl J Med 346: 393 tot 403. doi
  21. Wing RR, Lang W, Wadden TA e.a. (2011). Benefits of modest weight loss in improving cardiovascular risk factors in overweight and obese individuals with type 2 diabetes. Diabetes Care 34: 1481 tot 1486. doi
  22. Purcell K, Sumithran P, Prendergast LA e.a. (2014). The effect of rate of weight loss on long-term weight management: a randomised controlled trial. Lancet Diabetes Endocrinol 2: 954 tot 962. doi
  23. Voedingscentrum. Streefgewicht kiezen. voedingscentrum.nl
  24. Greendale GA, Sternfeld B, Huang M e.a. (2019). Changes in body composition and weight during the menopause transition. JCI Insight 4: e124865. doi
  25. Lovejoy JC, Champagne CM, de Jonge L e.a. (2008). Increased visceral fat and decreased energy expenditure during the menopausal transition. Int J Obes 32: 949 tot 958. doi
  26. Kravitz HM, Zhao X, Bromberger JT e.a. (2008). Sleep disturbance during the menopausal transition in a multi-ethnic community sample of women. Sleep 31: 979 tot 990. pubmed
  27. Pontzer H, Yamada Y, Sagayama H e.a. (2021). Daily energy expenditure through the human life course. Science 373: 808 tot 812. doi
  28. Davis SR, Castelo-Branco C, Chedraui P e.a. (2012). Understanding weight gain at menopause. Climacteric 15: 419 tot 429. doi
  29. Kongnyuy EJ, Norman RJ, Flight IH, Rees MC (2000). Oestrogen and progestogen hormone replacement therapy for peri-menopausal and post-menopausal women: weight and body fat distribution. Cochrane Database Syst Rev CD001018. doi
  30. Ambikairajah A, Walsh E, Tabatabaei-Jafari H, Cherbuin N (2019). Fat mass changes during menopause: a metaanalysis. Am J Obstet Gynecol 221: 393 tot 409. doi
  31. Salpeter SR, Walsh JM, Ormiston TM e.a. (2006). Meta-analysis: effect of hormone-replacement therapy on components of the metabolic syndrome in postmenopausal women. Diabetes Obes Metab 8: 538 tot 554. doi
  32. Norton L (2021). It's not calories, it's hormones: a response to Dr. Jason Fung. Biolayne. biolayne.com
  33. Attia P (2025). The Drive, AMA #72: Fasting. peterattiamd.com
Klaar

Les afronden

Maak de oefenvragen tot je ze in één keer goed hebt, zet je opdracht van deze les in je week en markeer de les hieronder als klaar.

Mindset   Les 1

Waarom zingeving je gezondheid raakt

Je zorgt voor iedereen: je werk, je huis, de mensen om je heen. En ergens tussen de boodschappen en de mail door vraag je je af waar het eigenlijk naartoe gaat. Dat is geen luxevraag. Als je weet waarvoor je het doet, heb je iets om op terug te vallen als het zwaar wordt.

Wat is zingeving, en waarom leven en voelen mensen met een doel zich vaak beter?

Na deze les weet je wat zingeving in gewone woorden is, wat het onderzoek over zin en gezondheid wel en niet laat zien, en ga je een week lang na waar jij je nuttig, levend of verbonden voelt.

Stap 1   Het beeld

Zin heeft drie kanten, en hij gaat samen met gezondheid

Richting je weet waar je naartoe wilt Samenhang je leven is te begrijpen, het klopt Ertoe doen je leven is de moeite waard Zin in je leven gaat samen oorzaak niet aangetoond Gezondheid gemiddeld langer leven minder hartproblemen vaker naar controles
Schematisch. De drie kanten komen uit Martela en Steger; het verband met gezondheid uit grote cohortstudies, die samenhang tonen en geen oorzaak.

Zingeving klinkt plechtig, maar het gaat over iets gewoons: het gevoel dat je leven ergens heen gaat, dat het klopt en dat het de moeite waard is. Mensen met dat gevoel leven gemiddeld langer. Waarom precies, weet niemand.

In het kort

  • Drie kanten. Zin is richting, samenhang en ertoe doen; ezelsbrug: een kompas, een verhaal en een reden.
  • Zin gaat samen met gezondheid. Mensen met een sterk levensdoel leven gemiddeld langer en krijgen minder hart- en vaatziekten.
  • Samenhang, geen aangetoonde oorzaak. Het kan ook andersom werken, of door iets anders komen, zoals geld of vrienden.
  • Plezier is niet hetzelfde als betekenis. Een fijne dag en een zinvolle dag vallen niet altijd samen; je hebt ze allebei nodig.
  • Ikigai. Het Japanse woord voor iets waardoor je leven de moeite waard is; het hoeft niet groots te zijn.
  • Zin in zware tijden. Zin kun je ook vinden als het leven zwaar is: in wat je doet, in wat je beleeft en wie je liefhebt, en in hoe je draagt wat je niet kunt veranderen.
  • Zoek het in je dagen. Je vindt zin eerder door terug te kijken op gewone momenten dan door er lang over te piekeren.

De rest van deze les legt dit uit, met een opdracht voor deze week.

Stap 2   Wat zingeving is

Richting, samenhang en ertoe doen

Eerst dit

Deze cursus helpt je richting zoeken; ze is geen behandeling voor somberheid. Voel je je al weken somber of leeg, heb je nergens meer zin in, of denk je aan de dood? Ga dan naar je huisarts of de praktijkondersteuner (POH-GGZ). Denk je aan zelfdoding, bel dan gratis 113 (dag en nacht) of chat via 113.nl. Bij direct gevaar: 112.

De Finse psycholoog Frank Martela en de Amerikaan Michael Steger zetten de betekenissen van zingeving naast elkaar en kwamen op drie kanten die vaak samen voorkomen, maar niet hetzelfde zijn.

Richting

Je hebt doelen en een idee waar je naartoe wilt. Het kompas: je weet welke kant je op loopt, ook als je de bestemming nog niet ziet.

Samenhang

Je leven is te begrijpen. De dingen die je meemaakt, passen in een verhaal; je ziet een rode draad.

Ertoe doen

Je leven voelt de moeite waard. Wat je doet, telt, voor jezelf of voor anderen, ook als niemand het ziet.

De kanten kunnen uiteenlopen. Wie hard aan een carrière werkt, heeft veel richting en kan zich toch afvragen of het ertoe doet. Wie net een verlies heeft meegemaakt, ziet misschien even geen samenhang. De spiegel hieronder laat zien welke kant bij jou nu het sterkst is.

Stap 3   Zin en gezondheid

Mensen met een doel leven gemiddeld langer

Onderzoekers vragen duizenden mensen hoe sterk ze een doel in hun leven ervaren, en volgen ze daarna jaren.

10 studies, 136.000 mensenwie een sterk levensdoel had, had gemiddeld zo'n 17 procent minder kans om te overlijden, en ook zo'n 17 procent minder kans op hart- en vaatproblemen
Bijna 7.000 vijftigplusserswie het laagst scoorde op levensdoel, overleed in de jaren daarna ruim twee keer zo vaak als wie het hoogst scoorde
Ruim 43.000 Japannerswie geen ikigai had, overleed in zeven jaar anderhalf keer zo vaak
Niet alleen bij ouderenook bij jongere volwassenen ging een doel samen met een langer leven, 14 jaar gevolgd

Opvallende getallen. Maar deze studies zijn observationeel: ze kijken wat samen voorkomt, ze testen niet wat er gebeurt als je mensen een doel geeft.

Wat we weten

Zin en gezondheid gaan samen, in veel landen en leeftijden. Mensen met een sterker levensdoel gaan vaker naar preventieve controles, zoals een cholesteroltest, en liggen minder nachten in het ziekenhuis. Wie een reden heeft om oud te worden, zorgt misschien beter voor zichzelf.

Wat we niet weten

Of een doel je gezonder maakt. Het kan andersom werken: wie ziek is, verliest makkelijker zijn doel. Of iets derde geeft allebei, zoals geld, opleiding of goede vrienden. Onderzoekers corrigeren daar deels voor, nooit helemaal.

Mensen zelf zien zin ook als deel van gezondheid. In Nederlands onderzoek vonden patiënten met een chronische ziekte alle zes kanten van gezondheid ongeveer even belangrijk, van hun lichaam tot zingeving; artsen keken smaller, vooral naar het lichaam.

Stap 4   Plezier en betekenis

Een fijn leven en een zinvol leven zijn niet hetzelfde

Onderzoekers naar welzijn werken vanuit twee oude tradities. De ene kijkt naar plezier: je goed voelen, weinig pijn hebben, tevreden zijn. De andere kijkt naar betekenis: groeien, leven naar wat je belangrijk vindt, je mogelijkheden gebruiken.

Plezier

Gaat over nu. Groeit als je krijgt wat je wilt of nodig hebt. Een avond op de bank met een goede serie, een zonnige terrasmiddag.

Betekenis

Verbindt verleden, heden en toekomst. Groeit als je geeft, iets opbouwt of trouw blijft aan wat je belangrijk vindt. Kan gepaard gaan met zorgen en stress.

In een vragenlijststudie bij bijna 400 Amerikanen hing geluk vooral samen met krijgen wat je wilt en met het hier en nu, en betekenis met geven, met nadenken over verleden en toekomst, en ook met meer zorgen en stress. Toen Finse onderzoekers bij bijna 6.000 Amerikanen, 23 jaar gevolgd, tevredenheid en levensdoel tegelijk naast de sterfte legden, bleef het levensdoel iets steviger overeind dan de tevredenheid.

Noor, 36, projectleider en moeder van twee

Noors week was niet leuk: een ziek kind, 's avonds doorwerken voor een deadline, slecht slapen. "Wat een rotweek", zegt een vriendin. Noor knikt, maar voelt nog iets anders. Haar dochter kroop tegen haar aan op de bank, en haar project helpt straks honderden huurders aan een beter huis.

Laag op plezier, hoog op betekenis. Alleen het een of alleen het ander voelt op den duur scheef, dus Noor plant voor het weekend iets wat alleen leuk is: een middag zwemmen met de kinderen.

Stap 5   Ikigai en Frankl

Een Japans woord en een Weense arts

Ikigai. In het Japans betekent ikigai ongeveer: iets waardoor het leven de moeite waard is. In een Japanse vragenlijststudie bij ruim 800 dertigers kwam het naar voren als de betekeniskant van welzijn, naast een woord voor geluk als plezier. In de Ohsaki-studie stelden onderzoekers ruim 43.000 volwassenen één eenvoudige vraag: heb je ikigai in je leven? Wie nee zei, overleed in de zeven jaar daarna vaker, vooral aan hart- en vaatziekten en aan ongevallen en andere uitwendige oorzaken, niet vaker aan kanker.

Op internet zie je ikigai vaak als vier overlappende cirkels: wat je graag doet, waar je goed in bent, wat de wereld nodig heeft en waarvoor je betaald wordt. Dat legt de lat hoog. In het Japanse onderzoek ging het om die ene vraag, zonder voorwaarden. Uit de praktijk: als mensen hun ikigai noemen, is het vaak iets kleins, zoals een kleinkind, een moestuin of een koor.

Viktor Frankl. De Weense psychiater Viktor Frankl overleefde in de Tweede Wereldoorlog meerdere concentratiekampen, waaronder Auschwitz; zijn vrouw, ouders en broer kwamen om. In 1946 schreef hij er een boek over, in het Nederlands verschenen als De zin van het bestaan. Zijn idee, in eigen woorden: de zoektocht naar zin is de belangrijkste drijfveer van een mens, en zin is ook te vinden als het leven zwaar is. Je vindt hem in wat je doet of maakt, in wat je beleeft en in de mensen van wie je houdt, en in de houding waarmee je lijden draagt dat je niet kunt veranderen.

Dat laatste is geen pleidooi voor lijden; Frankl had het over omstandigheden die je niet kunt veranderen. Ook dan blijft er iets te kiezen: hoe je erin staat. Zijn boek is een getuigenis, geen studie.

Stap 6   Waar mensen richting vinden

Zes plekken waar zin vaak zit

Uit de praktijk: als mensen vertellen waar ze zich nuttig, levend of verbonden voelen, komen steeds dezelfde bronnen terug. Klik door de zes en kijk welke bij jou iets raakt.

Kees, 63, oud-installateur, sinds drie maanden met pensioen

Kees keek uit naar zijn pensioen. Nu worden de dagen grijs: uitslapen, de krant twee keer lezen, en zich vreemd overbodig voelen. "Ik mis niet het werk, ik mis dat iemand op me rekent", zegt hij tegen zijn dochter.

Hij doet de opdracht van deze les. Na zeven avonden ziet hij drie dingen terugkomen: de fiets van de buurjongen repareren, een vroege fietstocht over de dijk, en de koffie op donderdag met twee oud-collega's. Hij meldt zich bij het repaircafé in zijn wijk. Zijn leven is niet ineens vol zin, maar hij weet nu waar hij moet zoeken.

Stap 7   Wat het onderzoek zegt

Hoe zeker is dit?

Mensen met een sterk levensdoel leven gemiddeld langer redelijk

Een meta-analyse van tien grote cohortstudies vond dit verband, ook voor hart- en vaatziekten, en latere studies bevestigen het. Het is samenhang: dat een doel de oorzaak is, is niet aangetoond.

Mensen met een doel zorgen beter voor hun gezondheid voorlopig

In één grote Amerikaanse studie bij vijftigplussers gingen zij vaker naar preventieve controles en lagen ze minder nachten in het ziekenhuis. Ook dat is samenhang.

Je zin vind je door terug te kijken op gewone dagen praktijk

De schrijfopdracht komt uit de praktijk. Schrijven over waarden en doelen wordt aangeraden om richting te vinden, maar deze oefening zelf is niet onderzocht.

Redelijk: het verband is er in veel studies, maar het bewijs is indirect. Voorlopig: één studie of weinig onderzoek. Praktijk: ervaring, geen of nauwelijks onderzoek.

Stap 8   Doe het

Een week lang zien waar je zin zit

Zin zie je beter terug in gewone dagen dan dat je hem bedenkt. Deze opdracht komt uit de praktijk en kost vijf minuten per avond.

Stap 9   Oefenvragen

Weet je wat zin met gezondheid te maken heeft?

Stap 10   Valkuilen

Waar mensen de mist in gaan

  • "Zin moet groots zijn." Een missie of roeping is niet nodig. Uit de praktijk: de meeste mensen vinden zin in gewone dingen.
  • "Zin is je gelukkig voelen." Een zinvolle periode kan zwaar zijn, en een leuke avond hoeft niets te betekenen.
  • "Een doel maakt je vanzelf gezond." Het onderzoek toont samenhang, geen oorzaak. Slapen, bewegen en goed eten blijven nodig.
  • "Als je het nu niet weet, ben je te laat." Zin verandert mee met je leven; opnieuw zoeken na een verlies of je pensioen is normaal.
  • "Erover nadenken is genoeg." Uit de praktijk: je vindt zin vaker door te doen en terug te kijken dan door te piekeren.

Om over na te denken

  1. Welke van de drie kanten, richting, samenhang of ertoe doen, is bij jou nu het sterkst, en welke het zwakst?
  2. Wanneer voelde je je de afgelopen maand echt nuttig, en wat deed je toen?
  3. Wat zou je nog steeds de moeite waard vinden als niemand het ooit zou zien?

Bronnen

  1. Martela F, Steger MF (2016). The three meanings of meaning in life: distinguishing coherence, purpose, and significance. The Journal of Positive Psychology 11: 531 tot 545. doi
  2. Cohen R, Bavishi C, Rozanski A (2016). Purpose in life and its relationship to all-cause mortality and cardiovascular events: a meta-analysis. Psychosomatic Medicine 78: 122 tot 133. doi
  3. Alimujiang A, Wiensch A, Boss J e.a. (2019). Association between life purpose and mortality among US adults older than 50 years. JAMA Network Open 2: e194270. doi
  4. Hill PL, Turiano NA (2014). Purpose in life as a predictor of mortality across adulthood. Psychological Science 25: 1482 tot 1486. doi
  5. Sone T, Nakaya N, Ohmori K e.a. (2008). Sense of life worth living (ikigai) and mortality in Japan: Ohsaki Study. Psychosomatic Medicine 70: 709 tot 715. doi
  6. Kumano M (2018). On the concept of well-being in Japan: feeling shiawase as hedonic well-being and feeling ikigai as eudaimonic well-being. Applied Research in Quality of Life 13: 419 tot 433. doi
  7. Kim ES, Strecher VJ, Ryff CD (2014). Purpose in life and use of preventive health care services. Proceedings of the National Academy of Sciences 111: 16331 tot 16336. doi
  8. Huber M, van Vliet M, Giezenberg M e.a. (2016). Towards a 'patient-centred' operationalisation of the new dynamic concept of health: a mixed methods study. BMJ Open 6: e010091. doi
  9. Ryan RM, Deci EL (2001). On happiness and human potentials: a review of research on hedonic and eudaimonic well-being. Annual Review of Psychology 52: 141 tot 166. doi
  10. Baumeister RF, Vohs KD, Aaker JL, Garbinsky EN (2013). Some key differences between a happy life and a meaningful life. The Journal of Positive Psychology 8: 505 tot 516. doi
  11. Martela F, Laitinen E, Hakulinen C (2024). Which predicts longevity better: satisfaction with life or purpose in life? Psychology and Aging 39: 589 tot 598. doi
  12. Schippers MC, Ziegler N (2019). Life crafting as a way to find purpose and meaning in life. Frontiers in Psychology 10: 2778. doi
  13. Frankl VE (1946). Ein Psycholog erlebt das Konzentrationslager. Wenen. Nederlandse uitgave: De zin van het bestaan. Rotterdam: Ad. Donker.
Klaar

Les afronden

Maak de oefenvragen tot je ze in één keer goed hebt, zet je opdracht van deze les in je week en markeer de les hieronder als klaar.

Mentale kracht   Les 1

Hoe graag wil je het echt?

Twee weken geleden zag je die video en wist je het zeker: elke dag naar de gym, elke avond twee uur studeren. Nu is het dinsdagavond, je sporttas staat nog in de gang en je duim scrollt. Dat zegt niets over wie je bent. Het zegt waar je op leunde: een gevoel. En gevoelens gaan weer weg.

Wacht niet op zin. Zin wacht op jou.

Waarom komt motivatie en gaat ze weer, en wat houdt je op koers als ze weg is?

Na deze les weet je waarom zin een slecht startsein is, welk soort reden het langst meegaat, wat dopamine echt doet, en heb je je eigen waarom in één zin. Daarna doe je zeven dagen lang elke dag één kleine actie, ook zonder zin.

Stap 1   Het beeld

Je zin golft; wat je doet hoeft niet mee te golven

Hoeveel zin je hebt dag 1 dag 7 dag 14 dag 1: vol vuur wat je doet: elke dag één actie zin: komt en gaat Je waarom in één zin: de reden die blijft als de zin weg is
Schematisch. Hoe hoog en hoe vaak je zin golft, verschilt per persoon. Het patroon van een hoge start en een snelle dip kennen veel mensen uit de praktijk; dat willen vaak niet tot doen leidt, is in grote overzichtsstudies goed gemeten.

Je kent het: een video, een nieuw jaar, een wedstrijd die je zag. Je staat in vuur en vlam en zet een plan neer. Twee weken later is het vuur kleiner en het plan zwaarder. Dat is normaal. Zin is een gevoel, en gevoelens golven. Wat je op koers houdt, is iets anders: een reden die blijft staan als de zin weg is, en de gewoonte om toch te beginnen.

In het kort

  • Zin is een gevoel. Hij piekt bij de start en zakt daarna; wie op zin wacht, wacht vaak lang; ezelsbrug: eerst doen, dan voelen.
  • Willen is niet genoeg. Bijna de helft van de mensen die van plan zijn genoeg te bewegen, doet het uiteindelijk niet.
  • De zin komt vaak ná het beginnen. Je hoofd kijkt vooraf naar de zware eerste minuten en onderschat hoe goed het daarna voelt.
  • Een eigen reden gaat langer mee. Iets doen omdat jij het belangrijk of leuk vindt, houdt beter stand dan doen voor een beloning of voor een ander.
  • Dopamine is geen geluksstof. Het gaat minder over genieten en meer over de vraag of iets de moeite waard is.
  • Naar iets toe. Een reden die je ergens heen trekt, draagt verder dan een reden die je ergens van wegjaagt.
  • Doen wint. Je waarom in één zin, plus elke dag één actie die zo klein is dat je hem ook zonder zin doet.

De rest van deze les legt dit uit, met een opdracht voor deze week.

Stap 2   Willen is niet genoeg

Waarom een goed voornemen zo vaak strandt

Psychologen noemen het het gat tussen voornemen en doen. Een overzichtsstudie legde tien onderzoeken met bijna vierduizend mensen naast elkaar. Van iedereen die van plan was genoeg te bewegen, deed bijna de helft het uiteindelijk niet. Het gat zat dus niet bij mensen die het niet wilden. Het zat bij mensen die het wél wilden.

Het gaat verder. In 47 experimenten maakten onderzoekers het voornemen van mensen flink sterker. Het gedrag veranderde daarna wel, maar ongeveer half zo sterk als het voornemen. Waar het misgaat, is vaak al bij het beginnen, en daarna onderweg, als iets anders even dichterbij of makkelijker is.

Dat is eigenlijk goed nieuws. Je hoeft het niet nog harder te willen. Je moet je willen een vorm geven: een reden die van jou is, en een actie die zo klein is dat je hem ook doet op een dag zonder zin.

Hoe graag je iets wilt, meet je niet aan hoe je je voelt op een goede dag. Je meet het aan wat je doet op een dag dat je geen zin hebt.

Stap 3   Eerst doen, dan voelen

De zin komt vaak pas als je al bezig bent

Canadese onderzoekers vroegen in vier studies 279 volwassenen om te voorspellen hoe leuk ze een training zouden vinden, of om dat na afloop te zeggen. Steeds weer schatten mensen het vooraf te laag in, bij yoga en pilates net als bij conditie- en krachttraining, licht of zwaar. De verklaring: je hoofd kijkt bij het voorspellen vooral naar het begin, en dat is meestal het zwaarste stuk. Toen de onderzoekers mensen hielpen verder te kijken dan die eerste minuten, verwachtten ze er meer van en waren ze vaker van plan te gaan.

Hetzelfde idee zit in een goed onderzochte behandeling van depressie: activiteiten plannen en ze doen, ook zonder zin, en je stemming laten volgen. In zestien gerandomiseerde studies had het een groot effect, en in de tien studies die het vergeleken met cognitieve therapie werkte het even goed. Dat onderzoek ging over mensen met een depressie; bij een gewone motivatiedip is het niet getest. Hier leen je alleen het principe, als voorzichtige afleiding: wacht niet tot je je er klaar voor voelt.

Yara, 21, studeert en werkt drie avonden in een restaurant

Yara wil in het voorjaar haar eerste tien kilometer lopen. De eerste week gaat ze vier keer, vol vuur. In week drie blijft ze na een late dienst liggen, de volgende ochtend weer, en dan voelt het alsof het toch niets voor haar is. Haar reden was "omdat mijn huisgenoten ook lopen".

Ze schrijft een nieuwe: "Ik wil merken dat ik iets kan wat ik in januari nog niet kon." En ze maakt haar actie klein: na het opstaan schoenen aan en tien minuten naar buiten. Ze geeft haar zin een cijfer vóór en ná. Vooraf vaak een 3, achteraf meestal een 7. Op de meeste dagen worden die tien minuten er dertig, en op de dagen dat het tien blijft, telt het ook.

De truc is dus: maak het begin zo klein dat je zin er niet meer toe doet. Schoenen aan en de deur uit. Laptop open en één alinea. Wat daarna komt, is vaak meer dan je vooraf dacht.

Stap 4   Van binnenuit

Waarom een eigen reden langer meegaat

Een van de best onderzochte theorieën over motivatie is de zelfdeterminatietheorie van de psychologen Richard Ryan en Edward Deci. Volgens die theorie kom je het meest uit jezelf in beweging als drie dingen kloppen: je kiest het zelf (autonomie), je merkt dat je beter wordt (competentie), en je doet het met of voor mensen die je iets waard zijn (verbondenheid).

Ryan en Deci onderscheiden ook soorten redenen, van buitenaf tot van binnenuit. Klik ze hieronder door en kijk welke bij jou het hardst klinkt.

Een overzicht van 66 studies naar sport en bewegen vond steeds hetzelfde: mensen met een eigen reden bewogen meer. Er was ook een trend: een reden die je zelf belangrijk vindt, voorspelde vooral het beginnen; plezier in het sporten zelf vooral het volhouden op de lange termijn.

En beloningen? In een analyse van 128 experimenten liet een tastbare beloning die mensen vooraf beloofd kregen, hun eigen zin in een taak die ze al leuk vonden juist dalen. Andere onderzoekers vonden dat effect alleen onder bepaalde voorwaarden, vooral als de beloning los stond van hoe goed je het deed; over hoe groot en hoe algemeen het is, verschillen ze van mening. Oprechte positieve feedback deed in beide analyses het omgekeerde: die maakte de zin groter.

Een medaille, een cijfer of een like mag je best leuk vinden. Bouw er alleen je waarom niet op: als de beloning wegvalt, valt je reden mee.

Stap 5   Dopamine

Dopamine gaat over willen en moeite, niet over genieten

Dopamine heet vaak het gelukshormoon. Dat klopt maar half. Overzichten van het hersenonderzoek laten zien dat dopamine in een diep deel van je brein, de nucleus accumbens, vooral te maken heeft met hoeveel moeite je bereid bent te doen, of je ergens op afgaat, en of je ermee doorgaat. Gewone trek in eten loopt er grotendeels buiten om. Veel van dat werk komt uit dieronderzoek.

Bij mensen zijn er aanwijzingen in dezelfde richting. In een kleine studie met 25 gezonde volwassenen maten onderzoekers met een hersenscan hoeveel dopamine iemands brein afgaf. Wie meer afgaf in bepaalde beloningsgebieden, koos vaker voor een zware taak met een grotere beloning.

Wat je brein telt als opbrengst

Iets wat je echt wilt, wat dichtbij voelt, en wat van jou is: een wedstrijd over zes weken, een tentamen dat je wilt halen, het gevoel na een goede training.

Wat je brein telt als kosten

Moeite, tijd, ongemak, en alles wat makkelijker en sneller iets oplevert, zoals je telefoon die naast je ligt.

Je brein maakt bij elke taak een soort rekensom: wat kost het, en wat levert het op? Een goede waarom maakt de opbrengst groter en dichterbij. Daarom werkt een reden die je kunt voelen beter dan een vaag doel ver weg (uit de praktijk). "Fitter worden" is een wolk. "Over drie maanden mijn eerste tien kilometer lopen zonder te wandelen" is iets waar je brein moeite voor wil doen.

Stap 6   Je waarom

Je waarom in één zin: naar iets toe

Er zijn twee soorten redenen. De ene trekt je ergens heen: sterker worden, je diploma halen, je beste wedstrijd spelen. De andere jaagt je ergens vandaan: niet falen, niet uitgelachen worden, niet de slechtste zijn. Allebei kunnen ze je in beweging zetten. Ze houden alleen niet even goed.

Amerikaanse onderzoekers volgden studenten een semester lang. Wie meer doelen had die ergens van weg wilden, voelde zich in de loop van het semester minder goed en had het gevoel minder vooruit te komen. Logisch eigenlijk: van iets wegrennen heeft geen finish.

Naar iets toe

"Ik wil voelen hoe sterk ik kan worden." "Ik wil die herkansing halen en door naar jaar twee." Je ziet waar je heen gaat, en elke stap telt.

Ergens vanaf

"Ik wil niet weer de slechtste zijn." "Ik wil niet dat ze me uitlachen." Het duwt, maar je komt nooit aan, en elke misser voelt als bewijs.

Inspiratie: beginnen waar je staat

De Amerikaanse ex-militair en ultraloper David Goggins vertelt in zijn boek Can't Hurt Me hoe hij opgroeide met geweld thuis en racisme, en hoe hij na een tijd in de luchtmacht als ongediertebestrijder werkte, zonder enig toekomstbeeld. Hij besloot Navy SEAL te worden, een van de zwaarste opleidingen van de Amerikaanse strijdkrachten, en haalde het. Drie ideeën uit zijn boek passen bij deze les. Eén: motivatie vindt hij onbetrouwbaar; ze helpt je beginnen en laat je vallen zodra het zwaar wordt. Twee: kijk eerlijk naar de kaarten die je hebt gekregen, schrijf ze op en neem ze voor je rekening, zodat ze geen excuus meer zijn. Drie: maak brandstof van de twijfel van anderen; wie hem onderschat, wil hij ongelijk geven.

Naast het onderzoek gelegd: het eerste klopt. Willen alleen brengt je vaak niet ver, dat laten de studies in stap 2 zien. Het tweede is vooral praktijk, en een goed begin van elke waarom: eerlijk kijken naar waar je staat. Bij het derde hoort een kanttekening. Brandstof uit pijn, boosheid of het iedereen willen laten zien, is een reden die je ergens vandaan jaagt. Die kan een sterke startmotor zijn, maar in het onderzoek gaan zulke doelen samen met minder welzijn, en houdt een reden die je zelf belangrijk vindt beter stand. Gebruik je verhaal dus gerust als vonk, en zet er een reden naast die van jou is. En zijn levensloop is uitzonderlijk; jouw route hoeft niet zo extreem te zijn om echt te zijn.

Rode vlaggen

Een dip in je zin is normaal. Heb je al weken nergens zin in, ook niet in dingen die je altijd leuk vond, slaap je slecht of voel je je leeg: dat is meer dan een motivatiedip. Ga naar je huisarts of de praktijkondersteuner (POH-GGZ); als student kun je ook bij een studentenpsycholoog terecht. Denk je aan zelfdoding: bel gratis 113 of chat via 113.nl, dag en nacht; bij direct gevaar 112.

Gaat je waarom over je lichaam, en merk je dat je steeds minder eet, je eten afweegt of niet meer kunt stoppen met trainen: ga naar je huisarts. Voor lotgenoten is er Proud2Bme. Een sterke waarom is nooit een reden om over je grenzen te gaan.

Stap 7   Wat het onderzoek zegt

Hoe zeker is dit?

Willen alleen is vaak niet genoeg sterk

Twee grote overzichtsstudies wijzen dezelfde kant op: bijna de helft van wie wil bewegen, doet het niet, en een sterker voornemen geeft een kleinere verandering in gedrag.

Een eigen reden gaat langer mee redelijk

Consistent in 66 studies naar sport en bewegen, maar de meeste meten een verband en zijn geen experiment.

De zin komt vaak ná het beginnen voorlopig

In vier kleine studies onderschatten mensen vooraf hoe leuk een training is, en eerst doen werkt als behandeling bij depressie. Voor een gewone motivatiedip is het niet getest en vooral praktijk.

Sterk: meerdere goede studies wijzen dezelfde kant op. Redelijk: het verband is er steeds, maar vooral gemeten en weinig getest in experimenten. Voorlopig: kleine studies, of bewijs uit een andere situatie; in de praktijk werkt het voor veel mensen.

Stap 8   Doe het

Je waarom, en zeven dagen doen

Je schrijft vandaag je waarom op, en je test deze week zelf of de zin vóór of ná het doen komt. Het kost je vijf tot vijftien minuten per dag.

Stap 9   Oefenvragen

Weet je wat je drijft?

Stap 10   Valkuilen

Waar het misgaat

  • Wachten op zin. Zin is het slechtste startsein dat je hebt. Begin klein, en laat de zin je inhalen.
  • Een geleende waarom. De reden van je trainer, je ouders of een influencer houdt het tot de eerste rotdag. Zoek de jouwe.
  • Vol gas op dag één. Vijf doelen tegelijk en elke dag twee uur. Dat haal je op vuur, en vuur gaat uit.
  • Een slechte dag is geen slecht mens. Eén keer overslaan zegt iets over je dag, niet over wie je bent. Morgen gewoon weer.

Om over na te denken

  1. Als je zin weg is, wat is dan nog de reden waarom je het zou doen?
  2. Voor wie doe je het eigenlijk: voor jezelf, of om iemand iets te laten zien?
  3. Wanneer kwam bij jou de zin pas toen je al bezig was?

Bronnen

  1. Rhodes RE, de Bruijn GJ (2013). How big is the physical activity intention-behaviour gap? A meta-analysis using the action control framework. British Journal of Health Psychology 18: 296 tot 309. doi
  2. Webb TL, Sheeran P (2006). Does changing behavioral intentions engender behavior change? A meta-analysis of the experimental evidence. Psychological Bulletin 132: 249 tot 268. doi
  3. Sheeran P, Webb TL (2016). The intention-behavior gap. Social and Personality Psychology Compass 10: 503 tot 518. doi
  4. Ruby MB, Dunn EW, Perrino A, Gillis R, Viel S (2011). The invisible benefits of exercise. Health Psychology 30: 67 tot 74. doi
  5. Cuijpers P, van Straten A, Warmerdam L (2007). Behavioral activation treatments of depression: a meta-analysis. Clinical Psychology Review 27: 318 tot 326. doi
  6. Ryan RM, Deci EL (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. American Psychologist 55: 68 tot 78. doi
  7. Teixeira PJ, Carraça EV, Markland D, Silva MN, Ryan RM (2012). Exercise, physical activity, and self-determination theory: a systematic review. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity 9: 78. doi
  8. Deci EL, Koestner R, Ryan RM (1999). A meta-analytic review of experiments examining the effects of extrinsic rewards on intrinsic motivation. Psychological Bulletin 125: 627 tot 668. doi
  9. Cameron J, Banko KM, Pierce WD (2001). Pervasive negative effects of rewards on intrinsic motivation: the myth continues. The Behavior Analyst 24: 1 tot 44. doi
  10. Berridge KC, Robinson TE (1998). What is the role of dopamine in reward: hedonic impact, reward learning, or incentive salience? Brain Research Reviews 28: 309 tot 369. doi
  11. Salamone JD, Correa M (2012). The mysterious motivational functions of mesolimbic dopamine. Neuron 76: 470 tot 485. doi
  12. Treadway MT, Buckholtz JW, Cowan RL e.a. (2012). Dopaminergic mechanisms of individual differences in human effort-based decision-making. Journal of Neuroscience 32: 6170 tot 6176. doi
  13. Elliot AJ, Sheldon KM, Church MA (1997). Avoidance personal goals and subjective well-being. Personality and Social Psychology Bulletin 23: 915 tot 927. doi
  14. Goggins D (2018). Can't Hurt Me: Master Your Mind and Defy the Odds. Austin: Lioncrest Publishing.
Klaar

Les afronden

Maak de oefenvragen tot je ze in één keer goed hebt, zet je opdracht van deze les in je week en markeer de les hieronder als klaar.